PRISMA-symposium, 12 mei 2026
- Rubriek: Congresabstracts
- Identificatie: 2026;11:a1818
Implementatie van het therapietrouwgesprek in de openbare apotheek in de regio Noord-Limburg
E.D. Mombarg-Blankvoort *, C. van de Steeg en M. Vervloet
* Correspondentie: emombarg@gmail.com.
Achtergrond
Een gesprek met de patiënt over het gebruik van medicatie kan bijdragen aan een betere therapietrouw, gezondheidswinst opleveren en uiteindelijk kostenbesparend zijn. Implementatie van het therapietrouwgesprek is echter geen vanzelfsprekendheid. In de regio Noord-Limburg bestond de wens om het gesprek te implementeren bij patiënten die cardiovasculaire medicatie gebruiken in het kader van de Proeftuinen Therapietrouw.
Doel
Het implementeren van therapietrouwgesprekken in 10 open bare apotheken bij mensen die hart- en vaatziekten (HVZ)-medicatie gebruiken en een therapietrouw van < 80% hebben, geselecteerd met behulp van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK)-rapportage Therapietrouw.
Methode
Prospectieve evaluatie van de implementatie van de interventie met behulp van het RE-AIM-model: Reach (bereikte patiënten), Effectiveness (tevredenheid van patiënten en zorgverleners), Adoption (aantal implementerende apotheken), Implementation (implementatiegraad, geboden ondersteuning, belemmerende en bevorderende factoren bij implementatie) en Maintenance (borging).
Resultaten
Het project werd uitgevoerd tussen 1 april 2023 en 31 maart 2024 in 10 van de 11 aangemelde openbare apotheken van Proeftuin TherapieTrouw Noord-Limburg (PTT-NL). In totaal werd het medicijngebruik van 1006 patiënten gescreend en werden 423 therapietrouwgesprekken gevoerd. Patiënten waren zeer tevreden en waardeerden deze nieuwe interventie vanuit de apotheek. Ook apothekersassistenten ervoeren de interventie als een positieve toevoeging aan hun taken en verantwoordelijkheden. Belangrijke belemmerende factoren voor implementatie waren personeelstekorten en wisselingen in de bezetting van apothekers. Bevorderende factoren waren een vergoeding, training in het voeren van therapietrouwgesprekken, de SFK-rapportage Therapietrouw en begeleiding bij de opstart door middel van evaluatiebijeenkomsten en persoonlijke bezoeken aan de apotheek.
Conclusie
De implementatie van het therapietrouwgesprek was succesvol in alle 10 deelnemende apotheken. Belangrijk bij de opstart bleken voldoende personele bezetting, training in gespreksvoering, een goede selectiemethode en de mogelijkheid om met elkaar ervaringen uit te wisselen. Voor borging van de interventie is een kostendekkend tarief essentieel.
Geschiktheid voor zelfmanagement van medicatie bij opgenomen patiënten: een flashmobstudie in Nederlandse ziekenhuizen
Bas van Vlijmen *, Minou van Seyen, Charlotte Bekker, Bart van den Bemt en Jeroen Derijks
* Correspondentie: bas.vanvlijmen@radboudumc.nl.
Achtergrond
Bij ziekenhuisopname vinden frequent wijzigingen in medicatie plaats. Daarnaast verschuift de verantwoordelijkheid voor het medicatiegebruik van de patiënt naar de verpleegkundige. Na ontslag voelt de patiënt zich daardoor vaak minder zeker in het gebruik van medicatie, wat kan leiden tot medicatiefouten, verminderde therapietrouw en ongemak voor de patiënt. Medicatie in Eigen Beheer (MIEB) kan patiënten ondersteunen bij het correct gebruik van hun medicatie en bijdragen aan een soepelere overgang naar de thuissituatie. Momenteel is echter onduidelijk welke patiënten geschikt zijn voor MIEB, wat de implementatie ervan in ziekenhuizen belemmert.
Doel
Het doel van deze studie is het vaststellen van het percentage opgenomen patiënten dat in aanmerking komt voor MIEB en het identificeren van patiëntgerelateerde en klinische factoren die het gebruik van MIEB kunnen beïnvloeden.
Methode
Er werd een beschrijvende, cross-sectionele flashmobstudie uitgevoerd in 35 ziekenhuizen, verspreid over verschillende afdelingen, in de periode van 18 tot en met 22 november 2024. De geschiktheid voor MIEB werd door verpleegkundigen beoordeeld met behulp van een screeningsinstrument bestaande uit zeven vragen. De primaire uitkomstmaat was het percentage patiënten dat geschikt werd bevonden voor MIEB. Geschiktheid werd uitgedrukt in percentages met behulp van beschrijvende statistiek. Uni- en multivariabele logistische regressieanalyses werden toegepast om de associatie te onderzoeken tussen geschiktheid voor MIEB en leeftijd, geslacht, aantal geneesmiddelen, gebruik van een medicatierol, opioïdgebruik, opleidingsniveau, type ziekenhuis en type afdeling.
Resultaten
Van de 2311 geïncludeerde patiënten werden 1403 (60,7%) geschikt bevonden voor MIEB. De geschiktheid varieerde significant tussen patiëntengroepen. Vrouwen vertoonden een hogere geschiktheid (63,5%; gecorrigeerde odds ratio [OR]: 1,35; 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI]: 1,12-1,62) dan mannen (58,3%; referentiecategorie). De geschiktheid nam af met toenemende leeftijd: 70,6% bij patiënten van 18-67 jaar (referentie), 62,1% bij patiënten van 68-80 jaar (gecorrigeerde OR: 0,87; 95%-BI: 0,70-1,09) en 46,0% bij patiënten ouder dan 80 jaar (gecorrigeerde OR: 0,59; 95%-BI: 0,46-0,77). Tevens verschilden de geschiktheidspercentages per type afdeling: 61,4% op afdelingen met niet-planbare opnames (referentie), 74,5% op afdelingen met planbare opnames (gecorrigeerde OR: 1,75; 95%-BI: 1,40-2,19) en 31,3% op afdelingen met intensieve zorg (gecorrigeerde OR: 0,37; 95%-BI: 0,28-0,49).
Conclusie
Een substantieel deel van de opgenomen patiënten komt in aanmerking voor MIEB. Deze resultaten ondersteunen een bredere implementatie van MIEB binnen ziekenhuizen.
Effect of electronic transmission of medication information to community pharmacies on unintentional medication discrepancies in patients discharged from hospital: a before-after study
E.M.C. Tijmensen-Reijers, H.J. Kingma, P.A.M. Pols, P.M.L.A. van den Bemt, F. Karapinar-Çarkit and M.L. Becker *
* Correspondence: mbecker@sahz.nl.
Background
Previous research has shown that only a small proportion of Basic Medication Discharge Reports (BMDR) reach community pharmacies. Therefore, the electronic transmission of BMDR to community pharmacies was implemented.
Objective
To evaluate whether electronic transmission of BMDR to community pharmacies reduces post-discharge unintentional discrepancies in medications discontinued or modified during hospitalisation. A secondary aim was to identify associated risk factors.
Methods
A retrospective before-after study was conducted among patients discharged home between April-June 2022 (pre-implementation) and April-June 2023 (post-implementation). The primary outcome was the proportion of medications with unintentional discrepancies within 120 days after discharge among medications discontinued or modified during hospitalisation. Dispensing data were obtained from the nationwide medication records system. Admissions < 24 hours and over-the-counter (OTC) medication changes were excluded. Patients required ≥ 80% dispensing data coverage during follow-up. Generalized estimating equations were used to estimate odds ratios (ORs) and identify risk factors, accounting for clustering of medication changes within patients.
Results
A total of 2496 medication changes were included (1,244 control, 1,252 intervention). Unintentional discrepancies occurred in 61 (4.9%) medication changes in the control group and 30 (2.4%) in the intervention group. Electronic transmission was associated with a lower likelihood of unintentional discrepancies (adjusted OR 0.47, 95% confidence interval 0.29-0.77), adjusted for age, sex, and number of medications at discharge. The number of medications at discharge (scaled per 5 medications) was independently associated with unintentional discrepancies.
Conclusion
The electronic transmission of BMDR was associated with a reduction in post-discharge unintentional discrepancies for medications discontinued or modified during hospitalisation.
Evaluatie van de implementatie van een opioïdenreductietool in de eerste lijn
E.A.W. Jansen-Groot Koerkamp *, L. de Kleijn, M. Heringa, J.W. Blom, M.E. Numans, A. Chiarotto, H.J.B.M. Rijkels-Otters, B.W. Koes en M.L. Bouvy *
Correspondentie: e.jansen@sirstevenshof.nl.
Achtergrond
Een eerder ontwikkelde opioïdenreductietool (TRIO-3P: Tool for Reducing Inappropriate Opioid use - for physician, pharmacist and patient) voor de eerste lijn om het langdurig gebruik van opioïden voor niet-kankergerelateerde pijn te voorkomen (deel A) en terug te dringen (deel B), werd in 2022/2023 gedurende zes maanden geïmplementeerd in 55 huisartspraktijken en 30 samenwerkende openbare apotheken.
Doel
Het evalueren van de implementatie van deel A van de TRIO-3P-opioïdenreductietool in de eerste lijn.
Methode
In deze mixed-methods studie werd de implementatie geëvalueerd met behulp van het RE-AIM-model (Reach, Effectiveness, Adoption, Implementation, Maintenance). Gegevens over de mate van implementatie van de verschillende componenten van de TRIO-3P-tool (zoals nascholing, beslisbomen en voorschrijfafspraken) werden verzameld door middel van vragenlijsten onder alle deelnemende huisartsen en apothekers bij start van de interventie en na zes maanden implementatie.
Met 10 huisartsen en 11 apothekers vonden semigestructureerde interviews plaats over hun ervaringen en belemmerende en bevorderende factoren voor implementatie. De vragenlijsten werden descriptief geanalyseerd; de verbatim transcripten van de interviews werden thematisch geanalyseerd.
Resultaten
De interventie werd toegepast in 55 huisartspraktijken (mediaan 3400 patiënten) en 30 apotheken (mediaan 9000 patiënten) (Reach). Onze eerdere studie liet een daling zien van 11% in het aantal patiënten met opioïdrecepten en van 10% in het aantal herhaalrecepten post-interventie versus baseline (Effectiveness). Van de zorgverleners nam 90% deel aan een Farmacotherapeutisch Overleg (FTO) of ander overleg; gemaakte afspraken werden één tot twee keer geëvalueerd (Adoption). Verschillende voorschrijfafspraken werden door 56-88% van de zorgverleners geïmplementeerd. Afspraken over vervolguitgiftes voor recente starters werden door 74% van de apotheken geïmplementeerd; bij 26% werd ook bij huidige gebruikers het recept ingekort (Implementation). Volgens de zorgverleners kunnen digitale integratie en transmurale samenwerking blijvende implementatie bevorderen (Maintenance).
Conclusie
Het beperken van het voorschrijven van opioïden voor chronische niet-kankergerelateerde pijn is haalbaar in de eerste lijn. Afspraken tussen huisartsen en apothekers werden goed geadopteerd en geïmplementeerd, met significante daling van het opioïdgebruik. Langdurige herhalingen bij bestaande gebruikers blijven een uitdaging. Digitale ondersteuning kan implementatie verbeteren.
Elsemiek Jansen-Groot Koerkamp ontving de prijs voor beste presentatie.
Effects of a multicomponent communication training for healthcare providers on deprescribing of cardiovascular and diabetes medication in older patients: results from the CO-DEPRESCRIBE trial
Peter J.C. Stuijt *, Mette Heringa, Liset van Dijk, Barbara C. van Munster, Jessica Hootsen, Jako Burgers, Priya Vart, Petra Denig and Katja Taxis
* Correspondence: p.j.c.stuijt@umcg.nl.
Background
Healthcare providers in primary care experience barriers to implementing recommendations for proactive deprescribing of cardiovascular (lipid-lowering, antihypertensive, and antithrombotic) and diabetes medication in older patients. A multicomponent program was developed, including online and face-to-face communication training, as well as tools to support healthcare providers in effectively discussing considerations and options for deprescribing cardiometabolic medication with their patients during medication reviews. Objective To assess the effects of this multicomponent training program for multidisciplinary healthcare provider teams on deprescribing of cardiometabolic medication in older patients receiving medication reviews.
Methods
A pragmatic cluster-randomised clinical trial (RCT) was conducted. Local pharmacy-general practice teams were randomized to conduct clinical medication reviews with patients as usual or after receiving the training program. Included patients were ≥ 75 years, exposed to polypharmacy, and using ≥ 1 cardiometabolic medication chronically. The primary outcome was deprescribing of ≥ 1 cardiometabolic medication (stopped or deintensified), based on pharmacy dispensing data. Logistic mixed-effects models determined marginal predicted deprescribing probabilities in intention-to-treat (all consenting patients) and per-protocol (those with medication reviews) analyses.
Results
A total of 310 patients (167 intervention, 143 control) from 17 intervention and 17 control teams gave informed consent. Dispensing data were collected from 33 teams for 293 intention-to-treat patients (158 intervention, 135 control; median age 79 years; 54% female; 40% frail). Predicted probabilities of deprescribing were significantly higher in the intervention group than in the control group in both the intention-to-treat analysis (39.9% [95% confidence interval {CI}: 29.2-50.6%] vs 22.6% [95% CI: 13.7-31.5%], P = 0.014) and the per-protocol analysis (n = 282; 41.2% [95% CI: 30.4-52.0%] vs 23.3% [95% CI: 14.3-32.3%], P = 0.013). Differences in deprescribing rates between intervention and control patients were relatively larger for antihypertensive medication (25.3% vs 13.3%) and lipid-lowering medication (23.5% vs 11.8%), compared to diabetes medication (16.9% vs 16.0%) and antithrombotic medication (3.3% vs 5.6%).
Conclusion
This RCT showed that communication training and tools were effective in supporting healthcare providers to proactively deprescribe cardiometabolic medication in older patients receiving clinical medication reviews.
Kosteneffectiviteit van medicatiebeoordelingen met focus op deprescribing bij ouderen met hyperpolyfarmacie
K.P.A. van Apeldoorn *, G. Baas, L.A. de Jong, S.B. Verdoorn, T. Fens, D.C. Rus, M.L. Bouvy, M. Heringa en M.J. Postma
* Correspondentie: k.p.a.van.apeldoorn@rug.nl.
Achtergrond
Polyfarmacie bij ouderen is geassocieerd met een verhoogd risico op geneesmiddelgerelateerde problemen, zoals bijwerkingen, ziekenhuisopnames en hogere zorgkosten. Het stoppen of verlagen van medicatie (deprescribing) kan deze problemen mogelijk verminderen, zeker bij hyperpolyfarmacie. Hoewel medicatiebeoordelingen de kwaliteit van farmacotherapie kunnen verbeteren, is de kosteneffectiviteit van interventies gericht op deprescribing bij ouderen met hyperpolyfarmacie nog beperkt onderzocht.
Doel
Het evalueren van de kosteneffectiviteit van een medicatiebeoordeling met focus op deprescribing bij ouderen met hyperpolyfarmacie die een medicatierol gebruiken.
Methode
Een trial-based economische evaluatie van een cluster randomised controlled trial (cRCT) in Nederlandse openbare apotheken onderzocht een medicatiebeoordeling met focus op deprescribing, vergeleken met standaardzorg. De primaire uitkomst was het aantal geneesmiddelen dat na zes maanden was gestopt of verlaagd. Kosten werden bepaald vanuit maatschappelijk perspectief. In de base case werden zorgkosten begrensd op maximaal 8 uur per dag. Een scenario-analyse zonder deze begrenzing werd uitgevoerd. Secundaire uitkomsten waren kwaliteit van leven (EuroQol 5 dimensies 5 levels [EQ-5D-5L], EuroQol visueel analoge schaal [EQ-VAS]), quality-adjusted life years (QALY’s) en geneesmiddelgerelateerde klachten. De analyse omvatte 256 patiënten (controlegroep n = 138, interventiegroep n = 118). Incremental cost-effectiveness ratios (ICER’s) werden berekend met EQ-5D-5L-uitkomsten voor QALY’s.
Resultaten
De interventie leidde tot een verbetering van de kwaliteit van leven (+0,0069 QALY, EQ-5D). In de base case bedroegen de totale zorgkosten over zes maanden € 8638 per patiënt in de interventiegroep en € 8587 in de controlegroep, inclusief interventiekosten (€ 279 per medicatiebeoordeling). Dit resulteerde in een kostenstijging van € 51 per patiënt met een ICER van € 7459. De kans dat de interventie kosteneffectief was bedroeg 43%, oplopend tot 79% bij een willingness-to-pay-drempel van € 20.000-50.000 per QALY. In het scenario zonder begrenzing was er een kostenstijging van € 841 met een ICER van € 121.992.
Conclusie
Een medicatiebeoordeling met expliciete focus op deprescribing kan een kosteneffectieve strategie zijn om het medicatiegebruik bij ouderen met hyperpolyfarmacie te optimaliseren, zonder negatieve effecten op de kwaliteit van leven. Doordat individuele zorgkosten een relatief grote invloed hebben op het totaalresultaat, is zorgvuldige datavalidatie essentieel.
The effect of eCDSS-based pharmacotherapeutic recommendations on the anticholinergic burden of hospitalised elderly patients
E.S. Mense *, T. Leenders, M.M.P.M. Jansen, A. Keyany, S. Saini, T. van Asseldonk, D. Arnoldussen and B. Maat
* Correspondence: e.mense-vermeulen@franciscus.nl.
Background
A high anticholinergic burden (ACB) is associated with an increased risk of impairment in physical and cognitive functioning, dementia, and falls in elderly patients. Medication reviews have been shown to reduce ACB. An electronic clinical decision support system (eCDSS) could facilitate this process.
Objective
To investigate the effect of eCDSS-based pharmacotherapeutic recommendations on ACB in hospitalised elderly patients.
Methods
In this pre-post intervention study, an eCDSS was implemented to reduce ACB. For hospitalised patients aged ≥ 65 years with an ACB score ≥ 8 or use of a strong anticholinergic medication, eCDSS-based recommendations were given to the physician to reduce ACB. The primary endpoint was the change in ACB score at hospital discharge compared to hospital admission before and after implementation of the eCDSS (repeated measures ANOVA). Regression analysis was used to identify risk and protective factors associated with an increase in ACB during hospitalisation.
Results
A total of 1939 patients were included (969 pre-intervention and 970 post-intervention). For 514 patients, the eCDSS alert was reviewed by a pharmacist (eCDSS cohort). The ACB score increased by 0.15 in the eCDSS cohort (95% confidence interval [CI] −0.01-0.31), compared with 0.50 in the pre-intervention cohort (95% CI 0.39-0.60; P < 0.001). A higher ACB score at admission and higher age were protective factors against an increase in ACB score during hospitalisation, whereas hyperpolypharmacy, admission duration > 96 hours, and admission to an orthopaedic or psychiatric ward were identified as risk factors. One or more recommendations were made for 38% of the patients who received an eCDSS review.
Conclusion
The implementation of eCDSS-based pharmacotherapeutic recommendations led to a significantly smaller increase in the ACB score in hospitalised elderly patients.
Challenges and opportunities in medication self-management of young people with a chronic disease: a ‘FUTURE’ needs assessment
Marit Buiting ‡*, Minke Copinga ‡, Bart van den Bemt, Patricia van den Bemt, Job van Boven, Liset van Dijk, Jacqueline Hugtenburg, Victor Huiskes and Marcia Vervloet
‡ Shared first authors.
* Correspondence: m.buiting@nivel.nl.
Background
Adequate medication self-management is a prerequisite for safe and effective medication use. However, this can be particularly challenging for adolescents and young adults with a somatic chronic disease (AYAs-SCD), who are in the midst of the transition to adulthood.
Objective
To identify barriers and facilitators influencing medication self-management among AYAs-SCD as a first step in the development of the ‘FUTURE toolbox’ that will support AYAs-SCD in their medication self-management.
Methods
Semi-structured interviews (online and in-person) were conducted with AYAs-SCD with cystic fibrosis (CF), inflammatory bowel disease (IBD) or juvenile idiopathic arthritis (JIA). Interview questions were guided by the COM-B domains: Capability, Opportunity, and Motivation. The interviews were recorded, transcribed, and deductively thematically analysed using MAXQDA.
Results
Thirteen AYAs-SCD aged 12-25 years were interviewed. Frequently mentioned barriers for optimal medication self-management included difficulties with medication administration and forgetfulness (Capability), integrating the medication scheme into daily life (Opportunity), and concerns about side effects, feeling anxious about injecting medication, and scepticism regarding the effectiveness of medication (Motivation). Reported facilitators were active involvement in the decision making about one’s medication regimen (Capability), having a set routine and support from relatives (Opportunity), and the feeling that medication enables you to do what you want in life, as well as a strong belief in the necessity of medication (Motivation).
Conclusion
This needs assessment identified several opportunities for further support of AYAs-SCD regarding medication self-management. The identified barriers and facilitators will be used as input for the second step, consisting of co-creation workshops with AYAs-SCD to identify supportive tools for medication self-management. These tools will be included in the ‘FUTURE toolbox’.
Closing the dosing gap: evidence-based dose recommendations for antihypertensive drugs in pregnancy
C.A. Dibbets, D.T.A. Hiensch *, V. Bukkems, H.C.J. Scheepers and S.N. de Wildt; on behalf of Project Madam expert group
* Correspondence: dagmar.hiensch@radboudumc.nl.
Background
Labetalol, metoprolol, and nifedipine are frequently used antihypertensives during pregnancy. Dosing guidelines often recommend equal or lower doses than those for non-pregnant patients. However, pregnancy-related physiological changes may alter drug exposure and compromise therapeutic effectiveness. Physiologically based pharmacokinetic (PBPK) modelling offers a promising approach to predict drug exposure by incorporating pregnancy-related physiological changes.
Objective
To determine pregnancy-specific dosing recommendations using a literature review, PBPK modelling, and expert consensus.
Methods
Data from pharmacokinetic and modelling studies, as well as safety and efficacy studies of these antihypertensives during pregnancy, were collected from the literature. These data were used to propose antenatal dosing regimens for labetalol, metoprolol, and nifedipine using our previously developed Framework for Dose Selection in Pregnancy (FDSP). The proposal was reviewed by a multidisciplinary expert group, and a consensus-based dosing regimen was established.
Results
Plasma levels of labetalol, metoprolol, and nifedipine decrease substantially during pregnancy. For labetalol, increasing the starting dose from 100 mg every 12 hours to 100 mg every 8 hours is recommended. For metoprolol, dose titration based on clinical effect is recommended during the second and third trimester. For nifedipine, it is recommended to increase the maximum daily dose from 90 mg to 120 mg, aligning with non-pregnant patients. In severe maternal hypertensive disorders, and only in clinical settings, doses up to 240 mg can be considered.
Conclusion
These evidence reviews underscore the risk of underdosing antihypertensives during pregnancy and the need for dose adjustments to ensure effective and safe treatment for both mother and fetus. The recommendations were endorsed by the expert group and published on the website of Moeders van Morgen Lareb, enabling their use in Dutch clinical practice.
Polyfarmacie, therapietrouwproblemen of lage gezondheidsvaardigheden: welke patiënten profiteren het meest van het jaargesprek in de apotheek?
Corine Rollema, Ellen van Loon *, Spyros Balafas, Liset van Dijk, Mette Heringa en Katja Taxis
* Correspondentie: e.vanloon@spitsoosterwolde.nl.
Achtergrond
Het jaargesprek is een nieuwe evidence-based interventie waarin de apothekersassistent proactief de patiënt begeleidt bij diens chronisch geneesmiddelgebruik. In het jaargesprek worden ervaringen met medicijngebruik besproken om problemen met medicatiegebruik en therapieontrouw te identificeren en aan te pakken. Hoewel het jaargesprek in meerdere Nederlandse apotheken is geïmplementeerd, is nog niet onderzocht welke patiëntengroep het meeste profiteert van het jaargesprek.
Doel
Het doel was te analyseren of het aantal en type uitgevoerde interventies en de duur van het jaargesprek verschillen tussen patiëntengroepen, om zo het jaargesprek gericht te kunnen implementeren.
Methode
Het jaargesprek werd in zeven apotheken geïmplementeerd. Voor elk gesprek werden de patiëntkarakteristieken, aantal geneesmiddelen, besproken interventies en gespreksduur vastgelegd. Voor elke patiënt werd ingeschat of sprake was van therapietrouwproblemen en/of lage gezondheidsvaardigheden. De associaties tussen patiëntengroep (polyfarmacie, gedefinieerd als ≥ 5 geneesmiddelen ja/nee, therapietrouw ja/nee, lage gezondheidsvaardigheden ja/nee) en gesprekskenmerken (duur, aantal en type interventie) werden geanalyseerd met verschillende logistic generalized additive models. Alle analyses werden uitgevoerd in R.
Resultaten
Van oktober 2023 tot en met september 2025 werden 2529 jaargesprekken gevoerd, waarbij in totaal 6283 interventies werden geregistreerd (mediaan: 2 per gesprek, range: 0-11). Therapieontrouw en polyfarmacie gingen gepaard met significant meer interventies, respectievelijk 26% en 10% (incidence rate ratio [IRR] 1,26 [95%-betrouwbaarheidsinterval {BI} 1,14-1,39] en IRR 1,10 [95%-BI 1,03-1,18]). Therapieontrouw vergrootte de kans op praktische innameoplossingen bijna viermaal (odds ratio [OR] 3,9 [95%-BI 2,6-5,8]). Ook polyfarmacie en lage gezondheidsvaardigheden verhoogden deze kans (OR 1,5 [95%-BI 1,2-2,0] en OR 2,08 [95%-BI 1,40-3,21]). Polyfarmacie was significant geassocieerd met een 17% langere gespreksduur (95%-BI 12,5-21,3) ten opzichte van geen polyfarmacie.
Conclusie
Jaargesprekken bij patiënten met therapietrouwproblemen en polyfarmacie leidden tot significant meer interventies en de interventies waren vaker gericht op praktische innameproblemen. Polyfarmacie ging gepaard met een langere gespreksduur. Deze subgroepen lijken daarmee meer behoefte aan ondersteuning te hebben, echter zijn de verschillen klein en het is niet aangetoond dat zij meer profijt hebben van het jaargesprek. Brede implementatie is wenselijk; voor selectieve implementatie kunnen deze subgroepen als uitgangspunt dienen.
Verantwoording
De hier opgenomen abstracts vormen een selectie uit de presentaties op het PRISMA-symposium van 12 mei 2026 te Breukelen.
Referentie
Citeer als: PRISMA-symposium, 12 mei 2026. Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek. 2026;11:a1818.
DOI
https://www.knmp.nl/resolveuid/2f7798dee30f4858a6348a6d2da0fbf1Open access
Reactie toevoegen