Rectificatie toevoegen

Verzenden

Ik wil de tekst...

Kopiëren Rectificeren
07 jan 2026

Immunotherapie in de laatste levensfase bij stadium IV niet-kleincellig longcarcinoom: voorspellende factoren en mogelijke verbeterstrategieën

  • Rubriek: Korte bijdrage
  • Identificatie: 2026;11:a1807
  • Auteur(s): S.E. Bruijns ab*, F. de Vries a, E.J.F. Franssen a, A.A.J. Smit c en E.B. Uitvlugt a

Kernpunten

  • Immunotherapie (IT) als eerstelijnsbehandeling en het celtype adenocarcinoom zijn geassocieerd met IT in de laatste levensfase (EOL) bij patiënten met stadium IV niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC).
  • Advance care planning (ACP) en een hoger aantal behandelcycli verlagen de kans op IT in EOL.
  • Patiënten met IT in EOL hebben vaker ziekenhuisopnames en overlijden vaker in het ziekenhuis.
  • ACP kan bijdragen aan een doelmatigere inzet van IT en daarmee de kwaliteit van leven in EOL verbeteren en de zorgkosten verlagen.

Abstract

Immunotherapy at the end-of-life in patients with stage IV NSCLC: predictive factors and potential improvement strategies

Background
Despite advancements in the treatment of stage IV non-small cell lung cancer (NSCLC), median survival remains limited to less than 1.5 years. At the same time, the use of systemic therapy at the end-of-life (EOL) is increasing, likely driven by the perception that immunotherapy (IT) is well tolerated. However, IT use at EOL is associated with delayed palliative care and increased in-hospital deaths, negatively affecting both quality of life and healthcare costs.

Objective
To identify factors associated with IT use in the EOL phase (≤ 45 days before death) and to assess the occurrence of intensive medical interventions at EOL, and costs related to IT in the EOL phase.

Design
This observational study was conducted at OLVG hospital, Amsterdam.

Methods
Patients with stage IV NSCLC who received IT and died between 2018 and 2023 were included. Data from electronic medical records, the Dutch Cancer Registry, and a local PD-1 study were analysed. Patients referred to another treatment center were excluded. Logistic regression and descriptive statistics were applied.

Results
Among 234 patients, 101 (43%) received IT in the EOL phase. Independent factors for IT use at the EOL were adenocarcinoma histology (adjusted OR [aOR] 2.76; 95% confidence interval [CI]: 1.08-7.09) and first-line IT (aOR 1.95; 95% CI: 1.25-3.05). The risk decreased with the number of doses administered (aOR 0.89; 95% CI: 0.81-0.97) and was reduced with advance care planning (ACP) (aOR 0.27; 95% CI: 0.08–0.93). Patients with IT in the EOL phase died more often in hospital (64.1% vs. 25.8%), had more hospitalizations during EOL (67.3% vs. 41.4%) and caused high costs (€ 687,783).

Conclusion
This study highlights the potential significance of a well-timed ACP in the appropriate use of IT at EOL for patients with stage IV NSCLC. This may improve quality of life in the EOL phase and help reduce healthcare costs.

Inleiding

Ondanks vooruitgang in de behandeling van stadium IV niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC), blijft de mediane overleving beperkt tot minder dan 1,5 jaar [1]. Een aanzienlijk deel van de patiënten ontvangt in de laatste levensfase (end of life, EOL) systemische oncologische therapieën, waaronder immunotherapie (IT) [2-6].

De toename in het gebruik van systemische therapieën in EOL wordt mogelijk gedreven door de perceptie dat IT beter verdraagbaar is dan chemotherapie [7,8]. Tegelijkertijd worden bij patiënten die IT in EOL ontvangen een afname in hospicezorg en een toename van sterfte in het ziekenhuis waargenomen [9,10]. Daarmee wordt steeds duidelijker dat de inzet van systeemtherapie in EOL niet bijdraagt aan levensverlenging, maar juist leidt tot een afname van de kwaliteit van leven [11,12].

Internationaal zijn kwaliteitsindicatoren vastgesteld om potentieel onnodige intensieve medische interventies en tekortkomingen in de kwaliteit van zorg in EOL te signaleren. Voorbeelden hiervan zijn ziekenhuisopnames in de laatste levensfase, overlijden in het ziekenhuis en het te laat opstarten van palliatieve zorg [12-14].

Op dit moment is onduidelijk welke patiënten met NSCLC risico lopen op potentiële overbehandeling met IT in EOL. Het primaire doel van deze studie is het in kaart brengen van patiënt-, tumor-, therapie- en zorggerelateerde factoren die zijn geassocieerd met het gebruik van IT in EOL. Secundaire doelen zijn het verkrijgen van inzicht in mogelijk onnodige intensieve medische interventies bij patiënten met IT in EOL en de kosten die gepaard gaan met de inzet van IT in deze fase.

Methoden

Onderzoeksopzet

Deze observationele cohortstudie is niet-WMO-plichtig bevonden, goedgekeurd door de lokale ethische commissie (WO24.016) en uitgevoerd in OLVG (Amsterdam).

Onderzoekspopulatie

Volwassen patiënten (≥ 18 jaar) met stadium IV NSCLC die tussen 2018 en 2023 IT ontvingen en waarvan bekend was dat zij vóór 31 december 2023 waren overleden, werden geïncludeerd op basis van gegevens uit het elektronische patiëntendossier (EPD). Patiënten die naar andere centra werden doorverwezen, werden geëxcludeerd.

Dataverzameling en uitkomstmaten

Relevante patiënt-, tumor-, behandeling- en zorggerelateerde variabelen werden geïnventariseerd in samenwerking met medisch specialisten op basis van literatuur [4,5,9] en de klinische ervaring van longartsen en verpleegkundig specialisten. Potentieel onnodige intensieve medische interventies werden afgeleid van internationaal vastgestelde kwaliteitsindicatoren [12,13].

De kosten van IT in EOL werden geschat op basis van de apotheekinkoopprijs (AIP) van december 2023 [15]. Gegevens werden verzameld uit het EPD (Epic) en aangevuld met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR) en de lokale PD-1-studie (WO20.177/WO23.062), die sinds 2020 in OLVG wordt uitgevoerd. Ontbrekende gegevens werden aangevuld via retrospectief dossieronderzoek.

De primaire uitkomst was het identificeren van patiënt-, tumor-, therapie- en zorggerelateerde factoren die geassocieerd zijn met IT ≤ 45 dagen voor overlijden (= laatste levensfase, EOL). Dit betrof zowel nieuw gestarte als reeds lopende IT gedurende EOL. Secundaire uitkomsten waren het vaststellen van mogelijk onnodige intensieve medische interventies in EOL bij patiënten met IT en de kosten van IT in deze fase.

Statistische analyse

De gegevens zijn verzameld in Castor Electronic Data Capture en geanalyseerd met SPSS Statistics Versie 29.0. Uni- en multivariabele logistische regressie werden gebruikt om factoren te identificeren die mogelijk geassocieerd zijn met IT in EOL. Parameters die in de univariabele analyse een significante associatie vertoonden (P < 0,10), werden toegevoegd aan de multivariabele analyse. Zowel niet-gecorrigeerde odds ratio’s (OR) als gecorrigeerde odds ratio’s (aOR) werden gerapporteerd.

Intensieve medische interventies werden geanalyseerd met beschrijvende statistiek. Numerieke variabelen werden, afhankelijk van de verdeling, getoetst met een ongepaarde t-toets of een Mann-Whitney-toets. Categorische variabelen werden vergeleken met een chi-kwadraattoets of Fisher-exacttoets. Een P-waarde ≤ 0,05 werd als statistisch significant beschouwd.

Resultaten

In totaal werden 234 patiënten met stadium IV NSCLC geïncludeerd (zie figuur 1). In tabel 1 zijn de patiënt-, tumor-, therapie- en zorggerelateerde factoren weergegeven voor zowel patiënten met IT in EOL (n = 101; 43%) als patiënten zonder IT in EOL (n = 133; 57%). De mediane leeftijd bij overlijden van patiënten met IT in de EOL was 66 jaar (interkwartielafstand [IQR]: 58,5-72,5), 56,4% was man en 82,6% van Europese afkomst. Van deze patiënten ontving 89,1% IT als eerstelijns systeemtherapie.

Factoren die onafhankelijk geassocieerd waren met IT in EOL waren het celtype adenocarcinoom (aOR 2,76; 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI]: 1,08-7,09; P = 0,035) en het ontvangen van IT als eerstelijnstherapie (aOR 1,95; 95%-BI: 1,25-3,05; P = 0,003). De kans op IT in EOL was lager bij patiënten met een ACP-gesprek (aOR 0,27; 95%-BI: 0,08-0,93; P = 0,038) en nam af naarmate het aantal IT-cycli toenam (aOR 0,89; 95%-BI: 0,81-0,97; P = 0,006) (tabel 2).

Als indicator voor potentieel onnodige intensieve medische interventies zagen we dat patiënten die IT ontvingen in EOL vaker in het ziekenhuis overleden (64,1% versus 25,8%; P < 0,001), terwijl patiënten zonder IT in EOL vaker thuis (37,1% versus 19,6%; P = 0,008) of in een hospice (27,8% versus 10,9%; P = 0,003) overleden. Daarnaast hadden patiënten met IT in EOL meer ziekenhuisopnames in deze fase (67,3% versus 41,4%; P < 0,001) en ontvingen zij vaker slechts één cyclus IT in totaal (37,6% versus 17,3%; P < 0,001) (tabel 3).

De kosten die gepaard gingen met IT in EOL voor alle patiënten werden geschat op € 687.783 (tabel 4).

Beschouwing

Deze studie laat zien dat patiënten die IT ontvingen in EOL minder vaak een ACP-gesprek hadden gevoerd dan patiënten zonder IT in EOL (aOR 0,27). Daarnaast hadden patiënten met een adenocarcinoom meer kans op IT in EOL (aOR 2,76). Verder ontvingen patiënten met IT in EOL vaker eerstelijns systeemtherapie (aOR 1,95) en minder IT-cycli (aOR 0,89). Dit laatste kan mogelijk worden verklaard door een te optimistische inschatting van de prognose door voorschrijvers [16,17]. Daarnaast wordt systemische behandeling regelmatig als enige optie beschouwd en bestaat de verwachting van een gunstig effect-veiligheidsprofiel van IT [18-22]. Hierdoor wordt IT mogelijk te optimistisch ingezet. Dit wordt tevens geïllustreerd door het feit dat 37,6% van de patiënten met IT in EOL slechts één cyclus IT ontving vóór overlijden.

Bij patiënten met een adenocarcinoom werd vaker IT in EOL ingezet. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de combinatietherapie bij adenocarcinoom doorgaans geen taxanen bevat, waardoor deze behandeling als minder toxisch wordt beschouwd dan bij plaveiselcelcarcinoom [23,24]. Door deze lagere toxiciteit wordt de behandeling mogelijk langer voortgezet in EOL [7,8,25].

De bevindingen van deze studie benadrukken de complexiteit en uitdagingen waarmee zowel voorschrijvers als patiënten te maken hebben bij het nemen van de juiste beslissing op het juiste moment. Uit onze resultaten blijkt dat een ACP-gesprek geassocieerd is met een doelmatiger inzet van IT in de laatste levensfase. Regelmatige gesprekken over zorgdoelen en tijdige inzet van palliatieve zorg kunnen bijdragen aan meer weloverwogen keuzes [18,19]. Vormgegeven als ACP-gesprek kan dit patiënten helpen om hun voorkeuren voor toekomstige medische zorg te identificeren, hierover te reflecteren en deze te bespreken met naasten en zorgverleners [26]. Dit kan uiteindelijk leiden tot minder ongewenste ziekenhuisopnames en het verbeteren van de mate van palliatieve zorg en de kwaliteit van leven [27-29].

In OLVG werd in 2022, in het kader van een onderzoeksproject, het ACP-gesprek tussen de eerste en vierde therapiecyclus van longkanker geïmplementeerd. Door de verbeterde communicatie tussen voorschrijver en patiënt werd het staken van de behandeling een bespreekbare optie. Dit sluit aan bij de Nederlandse eQuiPe-studie, waarin werd aangetoond dat onvoldoende communicatie leidt tot onzekerheid bij patiënten en naasten, hetgeen door ACP-gesprekken kan worden verminderd [30]. Idealiter zou een ACP-gesprek al bij het stellen van de palliatieve diagnose plaatsvinden, om te voorkomen dat onnodig met systemische behandeling wordt gestart [14,31].

Onze studie benadrukt de noodzaak om kritisch te kijken naar de inzet van IT in de palliatieve behandelsetting, aangezien patiënten die IT ontvingen in EOL vaker ziekenhuisopnames in deze fase hadden (67,3% versus 41,4%) en vaker in het ziekenhuis overleden (64,1% versus 25,8%). Ook ging de inzet van IT gepaard met aanzienlijke kosten. Deze uitkomsten zijn in lijn met eerdere studies [6,9,10,32,33].

Een sterk punt van deze studie is het gebruik van meerdere datasets, waaronder geautomatiseerd opgehaalde gegevens uit het EPD en de NKR, aangevuld met informatie uit dossieronderzoek. Dit heeft geleid tot een kwalitatief goede beschrijving van patiëntkarakteristieken en behandelpatronen. Tegelijkertijd kent deze studie enkele beperkingen. Zo is de generalisatie van de resultaten beperkt doordat het een monocenter studie betreft en door het retrospectieve ontwerp ontbraken sommige waarden. Gezien het exploratieve karakter van de studie werd geen correctie voor multiple testing toegepast. Daarom werden P-waarden voor subcategorieën gerapporteerd om mogelijke risicogroepen te identificeren (tabel 1). De kans op type I-fouten was hierdoor groter, maar deze aanpak voorkwam dat relevante voorspellers in deze vroege fase werden uitgesloten. Hoewel we minder IT in EOL zagen bij patiënten met een ACP-gesprek, was het totale aantal patiënten met een gedocumenteerd ACP-gesprek relatief klein (8,5%). Vervolgonderzoek met een grotere populatie is nodig om te onderzoeken of de gevonden associaties, waaronder het effect van een ACP-gesprek op de kwaliteit van leven en zorgkosten in EOL van patiënten met stadium IV NSCLC, kunnen worden bevestigd.

Conclusie

De patiënt-, tumor-, therapie- en zorggerelateerde factoren die geassocieerd zijn met het gebruik van IT in de laatste levensfase bij stadium IV NSCLC onderstrepen de complexiteit van de besluitvorming over het starten en staken van IT in EOL. Onze bevindingen benadrukken de noodzaak van een kritische evaluatie van de inzet van IT in de palliatieve fase, waarbij een tijdig ACP-gesprek kan bijdragen aan weloverwogen behandelbeslissingen. Dit kan mogelijk leiden tot een betere kwaliteit van leven in de laatste levensfase en lagere zorgkosten.

Verantwoording

Geen belangenverstrengeling gemeld.

Literatuur

1. Cijfers over longkanker [Internet]. Nederlandse Kankerregistratie. Utrecht: Integraal kankercentrum Nederland (IKNL); 2024 [geraadpleegd 2024 jan 15].
https://iknl.nl/kankersoorten/longkanker/cijfers

2. Wallington M, Saxon EB, Bomb M, et al. 30-day mortality after systemic anticancer treatment for breast and lung cancer in England: a population-based, observational study. Lancet Oncol. 2016 Sep;17(9):1203-16.

3. Bylicki O, Didier M, Riviere F, Margery J, Grassin F, Chouaid C. Lung cancer and end-of-life care: a systematic review and thematic synthesis of aggressive inpatient care. BMJ Support Palliat Care. 2019 Dec;9(4):413-424.

4. Oselin K, Pisarev H, Ilau K, Kiivet RA. Intensity of end-of-life health care and mortality after systemic anti-cancer treatment in patients with advanced lung cancer. BMC cancer. 2021 Mar;21(1):274.

5. Baena-Cañada JM, Campini Bermejo A, Gámez Casado S, et al. Experiences with Prescribing Large Quantities of Systemic Anticancer Therapy Near Death. J Palliat Med. 2019 Dec;22(12):1515-1521.

6. Hiramoto S, Taniyama T, Kikuchi A, Hori T, Yoshioka A, Inoue A. Effects of molecular targeting agents and immune-checkpoint inhibitors in patients with advanced cancer who are near the end of life. Palliat Support Care. 2021 Dec;19(6):709-714.

7. Riaz F, Gan G, Li F, et al. Adoption of Immune Checkpoint Inhibitors and Patterns of Care at the End of Life. JCO Oncol Pract. 2020 Nov;16(11):e1355-e1370.

8. Parikh RB, Galsky MD, Gyawali B, et al. Trends in Checkpoint Inhibitor Therapy for Advanced Urothelial Cell Carcinoma at the End of Life: Insights from Real-World Practice. Oncologist. 2019 Jun;24(6):e397-e399.

9. Glisch C, Hagiwara Y, Gilbertson-White S, Gao Y, Lyckholm L. Immune Checkpoint Inhibitor Use Near the End of Life Is Associated With Poor Performance Status, Lower Hospice Enrollment, and Dying in the Hospital. Am J Hosp Palliat Care. 2020 Mar;37(3):179-184.

10. Glisch C, Saeidzadeh S, Snyders T, Gilbertson-White S, Hagiwara Y, Lyckholm L. Immune Checkpoint Inhibitor Use Near the End of Life: A Single-Center Retrospective Study. J Palliat Med. 2020 Jul;23(7):977-979.

11. Mrad C, Abougergi MS, Daly B. One Step Forward, Two Steps Back: Trends in Aggressive Inpatient Care at the End of Life for Patients With Stage IV Lung Cancer. J Oncol Pract. 2018 Dec;14(12):e746-e757.

12. Earle CC, Landrum MB, Souza JM, Neville BA, Weeks JC, Ayanian JZ. Aggressiveness of cancer care near the end of life: is it a quality-of-care issue? Journal of clinical oncology : official journal of the American Society of Clinical Oncology. 2008 Aug 10;26(23):3860-6.

13. Earle CC, Neville BA, Landrum MB, et al. Evaluating claims-based indicators of the intensity of end-of-life cancer care. Int J Qual Health Care. 2005 Dec;17(6):505-9.

14. Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland [Internet]. IKNL/Palliactief. 2017 [geraadpleegd 2025 jan 21].
https://palliaweb.nl/getmedia/02b81c30-d9be-4c51-83bf-deb1260ccf7b/Kwaliteitskader_web-240620.pdf

15. Medicijnkosten.nl [geraadpleegd 2023 dec 18]. Zorginstituut Nederland/www.medicijnkosten.nl.
www.medicijnkosten.nl

16. Lamont EB, Christakis NA. Some elements of prognosis in terminal cancer. Oncology (Williston Park). 1999 Aug;13(8):1165-70; discussion 1172-4, 1179-80.

17. Lamont EB, Christakis NA. Prognostic disclosure to patients with cancer near the end of life. Ann Intern Med. 2001 Jun;134(12):1096-105.

18. Beaussant Y, Mathieu-Nicot F, Pazart L, et al. Is shared decision-making vanishing at the end-of-life? A descriptive and qualitative study of advanced cancer patients' involvement in specific therapies decision-making. BMC Palliat Care. 2015 Nov 16;14:61.

19. Brom L, Onwuteaka-Philipsen BD, Widdershoven GA, Pasman HR. Mechanisms that contribute to the tendency to continue chemotherapy in patients with advanced cancer. Qualitative observations in the clinical setting. Support Care Cancer. 2016 Mar;24(3):1317-25.

20. Temel JS, Shaw AT, Greer JA. Challenge of Prognostic Uncertainty in the Modern Era of Cancer Therapeutics. J Clinical Oncol. 2016 Oct 20;34(30):3605-3608.

21. An A, Hui D. Immunotherapy Versus Hospice: Treatment Decision-Making in the Modern Era of Novel Cancer Therapies. Curr Oncol Rep. 2022 Mar;24(3):285-294.

22. Madden DL. From a Patient Advocate's Perspective: Does Cancer Immunotherapy Represent a Paradigm Shift? Curr Oncol Rep. 2018 Feb;20(1):8.

23. Richtlijn Niet kleincellig longcarcinoom [Internet]. Federatie Medische Specialisten. 2020 [geraadpleegd 2025 jan 21].
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/niet_kleincellig_longcarcinoom/niet_kleincellig_longcarcinoom.html

24. Huang LT, Cao R, Wang YR, et al. Clinical option of pemetrexed-based versus paclitaxel-based first-line chemotherapeutic regimens in combination with bevacizumab for advanced non-squamous non-small-cell lung cancer and optimal maintenance therapy: evidence from a meta-analysis of randomized control trials. BMC Cancer. 2021 Apr 17;21(1):426.

25. Jang TK, Kim DY, Lee SW, et al. Trends in treatment during the last stages of life in end-stage gynecologic cancer patients who received active palliative chemotherapy: a comparative analysis of 10-year data in a single institution. BMC Palliat Care. 2018 Aug 7;17(1):99.

26. Rietjens JAC, Sudore RL, Connolly M, et al. Definition and recommendations for advance care planning: an international consensus supported by the European Association for Palliative Care. Lancet Oncol. 2017 Sep;18(9):e543-e551.

27. Brinkman-Stoppelenburg A, Rietjens JA, van der Heide A. The effects of advance care planning on end-of-life care: a systematic review. Palliat Med. 2014 Sep;28(8):1000-25.

28. Houben CHM, Spruit MA, Groenen MTJ, Wouters EFM, Janssen DJA. Efficacy of advance care planning: a systematic review and meta-analysis. J Am Med Dir Assoc. 2014 Jul;15(7):477-489.

29. Schulz R, Boerner K, Klinger J, Rosen J. Preparedness for death and adjustment to bereavement among caregivers of recently placed nursing home residents. J Palliat Med. 2015 Feb;18(2):127-33.

30. Van Son D, Versluis MAJ, Van de Poll-Franse LV, Raijmakers NJH. Kwaliteit van zorg en leven bij patiënten met uitgezaaide kanker en hun naasten. Inzichten uit de eQuiPe-studie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2025;169:D8461.

31. Schrijvers D, Cherny NI; ESMO Guidelines Working Group. ESMO Clinical Practice Guidelines on palliative care: advanced care planning. Ann Oncol. 2014 Sep;25 Suppl 3:iii138-42.

32. Khaki AR, Chennupati S, Fedorenko C, et al. Utilization of Systemic Therapy in Patients With Cancer Near the End of Life in the Pre- Versus Postimmune Checkpoint Inhibitor Eras. JCO Oncol Pract. 2021 Nov;17(11):e1728-e1737.

33. Petrillo LA, El-Jawahri A, Nipp RD, et al. Performance status and end-of-life care among adults with non-small cell lung cancer receiving immune checkpoint inhibitors. Cancer. 2020 May;126(10):2288-2295.

Referentie

Citeer als: Bruijns SE, de Vries F, Franssen EJF, Smit AAJ, Uitvlugt EB. Immunotherapie in de laatste levensfase bij stadium IV niet-kleincellig longcarcinoom: voorspellende factoren en mogelijke verbeterstrategieën. Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek. 2026;11:a1807.

DOI

https://www.knmp.nl/resolveuid/fb153aec2b384b83920a365e888b473d

Open access

Reactie toevoegen

* verplichte velden
Versturen

Bekijk ook