<?xml version="1.0"?>
<!DOCTYPE ArticleSet PUBLIC "-//NLM//DTD PubMed 2.7//EN" "https://dtd.nlm.nih.gov/ncbi/pubmed/in/PubMed.dtd">
<ArticleSet>
    <Article>
        <Journal>
            <PublisherName>Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek</PublisherName>
            <JournalTitle>Geschiktheid voor medicatie in eigen beheer onder opgenomen pati&#xEB;nten: een flashmobonderzoek in Nederlandse ziekenhuizen (FIGARO-studie)</JournalTitle>
                        <Issue>2026;11:a1815</Issue>
            <PubDate PubStatus="epublish">
                <Year>2026</Year>
                <Month>05</Month>
                <Day>27</Day>
            </PubDate>
        </Journal>
        <ArticleTitle>Geschiktheid voor medicatie in eigen beheer onder opgenomen pati&#xEB;nten: een flashmobonderzoek in Nederlandse ziekenhuizen (FIGARO-studie)</ArticleTitle>
        <ELocationID EIdType="doi"/>
        <Language>NL</Language>
        <AuthorList>
            <Author>
                <CollectiveName>Bas van Vlijmen ab*, Minou van Seyen a, Charlotte L. Bekker b, Bart J.F. van den Bemt bc</CollectiveName>
            </Author><Author>
                <CollectiveName>Hieronymus J. Derijks ad, namens de FIGARO-werkgroep e</CollectiveName>
            </Author>        </AuthorList>
        <PublicationType>Journal Article</PublicationType>
        <ArticleIdList>
            <ArticleId IdType="doi"/>
        </ArticleIdList>
        <Abstract>
            <AbstractText Label="KERNPUNTEN">
	60,7% van de pati&#xEB;nten in de onderzochte populatie komt in aanmerking voor Medicatie In Eigen Beheer (MIEB).
	Pati&#xEB;nten die worden opgenomen op afdelingen met overwegend planbare zorg (zoals chirurgie en orthopedie) zijn het meest geschikt voor MIEB.
	Hoewel een groot deel van de oudere pati&#xEB;nten nog steeds geschikt is voor de inzet van MIEB, is dit percentage hoger bij jongere pati&#xEB;nten.
	Een flashmobonderzoek lijkt een geschikte methode om in een korte tijdsperiode veel data te verzamelen.
</AbstractText>
            <AbstractText Label="ABSTRACT">Eligibility for self-management of medication in admitted patients: a flash mob study in Dutch hospitals: the FIGARO study

Background
When a patient is admitted to the hospital, medication changes often occur. Furthermore, the responsibility for medication use switches from the patient to the nurse. At discharge, patients may feel less comfortable managing their medication, potentially resulting in medication errors, reduced adherence, and patient discomfort. Self-Administration of Medication (SAM) can support patients in managing their medication and contribute to a smoother discharge from hospital to home. However, it remains unclear which patients are eligible for SAM, and this lack of clarity hinders its implementation in hospitals.

Objective
The objective of this study was to assess the proportion of hospitalised patients in the Netherlands eligible for SAM and to identify which patient-related and clinical factors may influence the use of SAM.

Design and methods
A descriptive, cross-sectional flash mob study was conducted in 35 Dutch hospitals in different departments between 18-22 November 2024. Eligibility for SAM was assessed by nurses using a 7-question screening tool. The primary outcome was the proportion of patients eligible for SAM. Eligibility was expressed as a percentage using descriptive statistics. Uni- and multivariable logistic regression were used to analyse the association between eligibility for SAM and age, sex, number of medications, use of a medication roll, opioid use, educational level, hospital type and ward type.

Results
Overall, 60.7% of the 2,311 included patients were eligible for SAM. Admission to an elective ward, female sex, younger age and not using a medication roll were positively associated with eligibility for SAM.

Conclusion
A large proportion of hospitalised patients are eligible for SAM. These results support the wider implementation of SAM in Dutch hospitals.</AbstractText>
            <AbstractText Label="REFERENTIES">Citeer als: van Vlijmen B, van Seyen M, Bekker CL, van den Bemt BJF, Derijks HJ. Geschiktheid voor medicatie in eigen beheer onder opgenomen pati&#xEB;nten: een flashmobonderzoek in Nederlandse ziekenhuizen (FIGARO-studie). Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek. 2026;11:a1815.</AbstractText>
            <AbstractText Label="VERANTWOORDING">Geen belangenverstrengeling gemeld.

Informatie uit dit artikel is ook gepubliceerd in: Van Vlijmen B, Van Seyen M, Bekker C, Van Den Bemt B, Derijks H. 4CPS-092 Eligibility for self-management of medication in admitted patients: a flash mob study in hospitals nationwide: the Figaro study. European Journal of Hospital Pharmacy. 2026;33:A95.</AbstractText>
            <AbstractText Label="LITERATUUR">1) VZinfo.nl: Ziekenhuiszorg | Gebruik | Ligduur [internet]. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM); 2025 [geraadpleegd 24 feb 2025].
https://www.vzinfo.nl/ziekenhuiszorg/gebruik/ligduur

2) Alqenae FA, Steinke D, Keers RN. Prevalence and nature of medication errors and medication related harm following discharge from hospital to community settings: a systematic review. Drug Saf. 2020 Jun;43(6): 517-537.

3) Beckman AG, Parker MG, Thorslund M. Can elderly people take their medicine? Patient Educ Couns. 2005 Nov;59(2):186-191.

4) Manias E, Beanland C, Riley R, Baker L. Self-administration of medication in hospital: patients&#x2019; perspectives. J Adv Nurs. 2004 Apr;46(2):194&#x2013;203.

5) Smale EM, van den Berg J, Korporaal-Heijman J, Bekker CL, van den Bemt BJF. Barriers, facilitators and implementation strategies to implement &#x2018;patient&#x2019;s own medication&#x2019; and &#x2018;self-administration of medication&#x2019; in hospitals. Int J Qual Health Care. 2025 May 16;37(2):mzaf038.

6) Vanwesemael T, Mortelmans L, Boussery K, Jordan S, Dilles T. Self-management of medication on a cardiology ward: feasibility and safety of the SelfMed intervention. Int J Environ Res Public Health. 2022 Dec 13;19(24):16715.

7) Harris CM, Sridharan A, Landis R, Howell E, Wright S. What happens to the medication regimens of older adults during and after an acute hospitalization? J Patient Saf. 2013 Sep;9(3):150-3.

8) Deeks PA, Byatt K. Are patients who self &#x2013; administer their medicines in hospital more satisfied with their care? J Adv Nurs. 2000 Feb;31(2):395&#x2013;400.

9) Vanwesemael T, Boussery K, Manias E, Petrovic M, Fraeyman J, Dilles T. Self&#x2013;management of medication during hospitalization: healthcare providers&#x2019; and patients&#x2019; perspectives. J Clin Nurs. 2018 Feb;27(3-4):753-768.

10) Vanwesemael T, Boussery K, van den Bemt P, Dilles T. The willingness and attitude of patients towards self&#x2013;administration of medication in hospital. Ther Adv Drug Saf. 2018 Jun;9(6):309-321.

11) van Herpen-Meeuwissen LJM, van Onzenoort HAW, van den Bemt PMLA, Maat B, van den Bemt BJF; The effect of self&#x2013;administration of medication during hospitalization on patient&#x2019;s self&#x2013;efficacy and medication adherence after discharge. Patient Prefer Adherence. 2022 Sep 28;16:2683&#x2013;2693.

12) Hajialibeigloo R, Mazlum SR, Mohajer S, Morisky DE. Effect of self&#x2013;administration of medication programme on cardiovascular inpatients&#x2019; medication adherence and nurses&#x2019; satisfaction: a randomized clinical trial. Nurs Open. 2021 Jul;8(4):1947&#x2013;1957.

13) van Herpen-Meeuwissen LJM, Djodikromo MF, Maat B, van den Bemt BJF, Bekker CL, van Onzenoort HAW. Inpatients self&#x2013;administration of medication: Stakeholders&#x2019; views and prerequisites. J Clin Nurs. 2023 Jun;32(11-12):2709&#x2013;2721.

14) Moons P; Flash mob studies: a novel method to accelerate the research process. Eur J Cardiovasc Nurs. 2021 Apr 13;20(2):175&#x2013;178.

15) Stassen PM, Cals JWL; Flashmobstudies: wetenschap in een flits. Ned Tijdschr Geneeskd (2020); 164: D4736

16) Vanwesemael T, Van Rompaey B, Petrovic M, Boussery K, Dilles T. SelfMED: self&#x2013;administration of medication in hospital: a prevalence study in Flanders, Belgium. J Nurs Scholarsh. 2017 May;49(3):277&#x2013;285.

17) Phelan G, Kramer EJ, Grieco AJ, Glassman KS. Self&#x2013;administration of medication by patients and family members during hospitalization. Patient Educ Couns. 1996 Jan;27(1):103&#x2013;112.

18) CBS StatLine: Medische Specialistische Zorg: personen, diagnose en Inkomen [internet], Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek; 2025.
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84480NED/table?dl=215BA</AbstractText>
            <AbstractText Label="METHODEN">Een pati&#xEB;nt verblijft normaal gesproken een klein deel van zijn of haar leven in het ziekenhuis [1]. Zodra een pati&#xEB;nt wordt opgenomen, vinden er vaak veel medicatiewisselingen plaats. Daarnaast verschuift de verantwoordelijkheid voor medicatiebeheer vaak van de pati&#xEB;nt naar de verpleegkundige. Door de medicatiewisselingen en een gebrek aan zelfmanagement kunnen pati&#xEB;nten het inzicht in hun medicatiegebruik verliezen. Hierdoor wordt het voor de pati&#xEB;nt vaak lastiger om de medicatie later thuis goed te gebruiken. Dit kan zorgen voor medicatiefouten, afname van de therapietrouw en toename van discomfort bij de pati&#xEB;nt [2,3].

Medicatie In Eigen Beheer (MIEB) tijdens een ziekenhuisopname zorgt ervoor dat pati&#xEB;nten meer betrokken raken bij hun medicatiegebruik [4,5]. Bij MIEB nemen pati&#xEB;nten hun medicatie zelfstandig in, waarbij de verpleegkundige of apothekersassistent alleen nog controleert of dit goed verloopt. Indien nodig kan de pati&#xEB;nt hierbij worden gecoacht [6]. Het stimuleren van eigen regie door MIEB lijkt bij te dragen aan een betere overgang naar de thuissituatie, waardoor het risico op medicatiefouten potentieel wordt verminderd, de therapietrouw mogelijk verbetert en pati&#xEB;nten beter weten welke medicatie zij gebruiken en hoe zij deze juist moeten innemen [7]. Onderzoek naar ervaringen met MIEB laat een grote tevredenheid onder pati&#xEB;nten en zorgverleners zien. Elementen zoals toegenomen zelfstandigheid, regie over de eigen medicatie, versterkt vertrouwen en verbeterde kennis over geneesmiddelen worden als belangrijke voordelen genoemd [8-13]. Het is momenteel echter onduidelijk bij welke pati&#xEB;nten MIEB kan worden ingezet, en deze onduidelijkheid belemmert de implementatie ervan in het ziekenhuis.

Het doel van deze studie is te onderzoeken welk deel van de opgenomen pati&#xEB;nten in Nederlandse ziekenhuizen in aanmerking komt voor MIEB. Daarnaast wordt onderzocht welke pati&#xEB;ntgebonden en klinische factoren van invloed zijn op de toepasbaarheid van MIEB.</AbstractText>
            <AbstractText Label="POPULATIE">De studie betrof een cross-sectionele, descriptieve multicenterstudie met een flashmobmethode. Bij een flashmobstudie wordt binnen een korte periode een grote hoeveelheid data verzameld om een relatief eenvoudige onderzoeksvraag te beantwoorden [14,15]. Omdat geen pati&#xEB;ntspecifieke gegevens werden verzameld, was geen informed consent vereist.</AbstractText>
            <AbstractText Label="DATAVERZAMELING">Alle 69 ziekenhuizen in Nederland werden gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. In elk deelnemend ziekenhuis zijn standaard drie afdelingen onderzocht: cardiologie, orthopedie en geriatrie (indien aanwezig). Dit is gedaan om voor ten minste drie afdelingen een goed beeld te verkrijgen over de spreiding van de geschiktheid van MIEB tussen ziekenhuizen. Daarnaast werden andere afdelingen (chirurgie, hematologie, intensive care [IC], interne geneeskunde, longgeneeskunde, nefrologie, neurologie, oncologie en psychiatrie) toegewezen aan verschillende ziekenhuizen. Dit had als doel een representatief beeld te verkrijgen van de ziekenhuispopulatie in Nederland. De studiepopulatie bestond uit opgenomen pati&#xEB;nten op &#xE9;&#xE9;n van de geselecteerde verpleegafdelingen. Pati&#xEB;nten jonger dan 18 jaar en terminale pati&#xEB;nten werden uitgesloten.</AbstractText>
            <AbstractText Label="UITKOMSTEN">Een gestandaardiseerde vragenlijst, bestaande uit zeven ja/nee-vragen, werd gebruikt om te bepalen of een pati&#xEB;nt geschikt was voor MIEB (zie tabel 1). Wanneer alle vragen met &#x2018;ja&#x2019; werden beantwoord, werd een pati&#xEB;nt als geschikt beschouwd. De vragenlijst werd ontwikkeld op basis van best practices uit drie ziekenhuizen die ruime ervaring hebben met MIEB (Jeroen Bosch Ziekenhuis [JBZ], Radboudumc en Sint Maartenskliniek). In augustus 2024 vond een pilot plaats op drie afdelingen in het Radboudumc bij 40 pati&#xEB;nten om de uitvoerbaarheid en duidelijkheid van de vragenlijst te toetsen. Hierbij werden geen problemen geconstateerd.De dataverzameling vond plaats tussen 18 en 22 november 2024. Per verpleegafdeling werden op &#xE9;&#xE9;n dag alle aanwezige pati&#xEB;nten beoordeeld. De vragenlijst werd ingevuld door de verpleegkundige die op dat moment bij de zorg voor de pati&#xEB;nt betrokken was. Daarbij werd per pati&#xEB;nt informatie verzameld over leeftijd, geslacht, aantal geneesmiddelen, gebruik van een medicatierol, opiaatgebruik, opleidingsniveau, ziekenhuis en afdelingstype. De ziekenhuisapotheek co&#xF6;rdineerde de verspreiding en inzameling van de vragenlijsten. De gegevens werden gecentraliseerd ingevoerd in Research Manager (versie 7.3).</AbstractText>
            <AbstractText Label="DATA-ANALYSE">De primaire uitkomst was het percentage ge&#xEF;ncludeerde pati&#xEB;nten dat geschikt werd bevonden voor MIEB (hierna: geschiktheidspercentage). Daarnaast werd gekeken naar verschillen op basis van leeftijd, geslacht, aantal geneesmiddelen, gebruik van een medicatierol, opiatengebruik, opleidingsniveau, type ziekenhuis en type afdeling. Afdelingen werden gecategoriseerd in afdelingen met overwegend planbare zorg, overwegend niet-planbare zorg en zorgintensieve afdelingen (IC, geriatrie en psychiatrie).</AbstractText>
            <AbstractText Label="WMO-PLICHT">Descriptieve statistiek werd gebruikt om de primaire uitkomsten van de studie te beschrijven. Hierbij werd voor normaal verdeelde waarden gebruik gemaakt van het gemiddelde (SD) en voor niet-normaal verdeelde waarden de mediaan (IQR, interkwartielafstand). Proporties werden uitgedrukt als percentage. Univariabele en multivariabele logistische regressie werden toegepast om de associatie te analyseren tussen geschiktheid voor MIEB (afhankelijke variabele) en factoren zoals leeftijd, geslacht, aantal geneesmiddelen, medicatierol, opiatengebruik, opleidingsniveau, type ziekenhuis en type afdeling. Associaties werden gerapporteerd als odds ratio&#x2019;s (OR) met 95%-betrouwbaarheidsintervallen (95%-BI). Voorafgaand aan de multivariabele analyse is multicolineariteit beoordeeld met behulp van variance inflation factors (VIF), waarbij een VIF lt; 5 werd beschouwd als afwezigheid van multicolineariteit. Er werd gebruik gemaakt van IBM SPSS Statistics versie 27 (IBM, Armonk, NY, USA).</AbstractText>
            <AbstractText Label="RESULTATEN">Aangezien geen tot de persoon herleidbare gegevens werden verzameld, viel het onderzoek buiten de reikwijdte van de WMO. De METC Brabant heeft hiervoor een niet-WMO-verklaring afgegeven (METC nr. NW2024-39).</AbstractText>
            <AbstractText Label="ONDERZOEKSUITKOMSTEN">Er werden 69 ziekenhuizen benaderd, waarvan 35 ziekenhuizen (50,7%) (4 academische, 16 topklinische, 15 algemene) deelnamen aan het onderzoek. In totaal werden in deze ziekenhuizen op 185 afdelingen vragenlijsten afgenomen. Op deze afdelingen lagen 2404 pati&#xEB;nten, waarvan er 93 werden uitgesloten vanwege onvolledige respons (zie figuur 1). Uiteindelijk werden 2311 pati&#xEB;nten ge&#xEF;ncludeerd voor een geschiktheidsbeoordeling voor MIEB. De pati&#xEB;ntkenmerken en uitkomsten van dit onderzoek zijn weergegeven in tabel 2.</AbstractText>
            <AbstractText Label="BESCHOUWING">In totaal werd 60,7% (n = 1403) van de onderzochte pati&#xEB;nten geschikt bevonden voor MIEB. Voor de drie typen afdelingen die in elk ziekenhuis werden onderzocht, zijn de mediaan en de interkwartielafstand (IQR) bepaald om de spreiding van de data te beoordelen. Voor de afdeling cardiologie bedroeg de mediaan 63,2% (IQR 55,0-82,4%), voor orthopedie 78,9% (IQR 59,2-90,5%) en voor geriatrie 26,1% (IQR 21,1-33,3%) (zie figuur 2). Het geschiktheidspercentage varieerde sterk tussen pati&#xEB;ntengroepen. De geschiktheid voor MIEB werd bij vrouwen (63,5%) hoger ingeschat dan bij mannen (58,3%). Met toenemende leeftijd nam het geschiktheidspercentage af: 70,6% bij pati&#xEB;nten van 18-67 jaar, 62,1% bij 68-80 jaar en 46,0% bij pati&#xEB;nten ouder dan 80 jaar. Ook het gebruik van een medicatierol hing samen met een lager geschiktheidspercentage: 37,7% van de gebruikers werd geschikt bevonden, tegenover 66,1% van de pati&#xEB;nten zonder medicatierol. Het geschiktheidspercentage varieerde daarnaast sterk per afdeling. Pati&#xEB;nten op de afdeling geriatrie werden het minst geschikt geacht (28,5%), terwijl de hoogste geschiktheid werd gezien op de afdeling hematologie (77,5%). Bij categorisatie naar type afdeling bleken pati&#xEB;nten op afdelingen met overwegend planbare opnames (74,5%) vaker geschikt dan pati&#xEB;nten op afdelingen met overwegend niet-planbare opnames (61,4%). Pati&#xEB;nten op zorgintensieve afdelingen werden juist minder geschikt geacht (31,3%). Ook het opleidingsniveau leek van invloed: het geschiktheidspercentage steeg van 42,5% bij laagopgeleiden naar 76,8% bij hoogopgeleiden.In de multivariabele logistische regressieanalyse, gecorrigeerd voor de overige onderzochte factoren, werden deze verbanden bevestigd. Vrouwen waren geschikter dan mannen (gecorrigeerde OR 1,35; 95%-BI: 1,12-1,62). De oudste leeftijdsgroep was significant minder geschikt dan de jongste groep (gecorrigeerde OR 0,59; 95%-BI: 0,46-0,77). Gebruikers van een medicatierol waren minder geschikt dan niet-gebruikers (gecorrigeerde OR 0,46; 95%-BI: 0,36-0,59). Pati&#xEB;nten op afdelingen met overwegend planbare opnames waren vaker geschikt dan pati&#xEB;nten op afdelingen met overwegend niet-planbare opnames (gecorrigeerde OR 1,75; 95%-BI: 1,40-2,19), terwijl pati&#xEB;nten op zorgintensieve afdelingen juist minder geschikt waren (gecorrigeerde OR 0,37; 95%-BI: 0,28-0,49).</AbstractText>
            <AbstractText Label="CONCLUSIE">Dit onderzoek laat zien dat 60,7% van de deelnemende pati&#xEB;nten geschikt wordt geacht voor MIEB. Opname op een afdeling met overwegend planbare zorg, lage leeftijd en het niet gebruiken van een medicatierol zijn positief geassocieerd met het geschikt achten van pati&#xEB;nten voor MIEB.

In eerdere onderzoeken is ook gekeken naar de geschiktheid van pati&#xEB;nten voor MIEB. In een cross-sectioneel onderzoek van Vanwesemael et al. [16] bij 1200 pati&#xEB;nten in 12 Vlaamse ziekenhuizen werd 41% na beoordeling door een verpleegkundige geschikt bevonden voor MIEB. Dit lagere percentage kan mogelijk worden verklaard door het relatief grote aandeel psychiatrische pati&#xEB;nten (9%) in dat onderzoek ten opzichte van onze studie (1%), aangezien deze pati&#xEB;nten doorgaans minder geschikt worden geacht voor MIEB.

In een andere studie laten Vanwesemael et al. [6] zien dat op een cardiologische afdeling van &#xE9;&#xE9;n Vlaams ziekenhuis 54% van de pati&#xEB;nten geschikt werd geacht voor MIEB. Dit percentage ligt iets lager dan in onze studie. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in de Vlaamse studie en in onze studie een ander toetsingsinstrument is gebruikt.

Beide studies van Vanwesemael et al. tonen aan dat, net als in deze studie, het vrouwelijk geslacht, een jongere leeftijd, een beperkt aantal gebruikte geneesmiddelen en een hoog opleidingsniveau positief samenhangen met geschiktheid voor MIEB. De eerste studie liet daarnaast ook geschiktheid zien bij opname op een chirurgische afdeling (een afdeling met voornamelijk planbare zorg) [6,16].

Phelan et al. [17] onderzochten op &#xE9;&#xE9;n afdeling in een Amerikaans ziekenhuis pati&#xEB;nten van verschillende specialismen, waarbij de mantelzorger een grote rol had bij de begeleiding van de pati&#xEB;nt, en pati&#xEB;nt en mantelzorger werden getraind. Van de 151 onderzochte pati&#xEB;nten werd rond de ontslagdatum 89% geschikt geacht voor MIEB gedurende de opname. Dit hogere geschiktheidspercentage kan mogelijk worden verklaard doordat de meting plaatsvond rond de ontslagdatum en doordat een extra interventie werd uitgevoerd om het geschiktheidspercentage te verhogen, door training van de pati&#xEB;nt en mantelzorger op het hebben van MIEB.

Een sterk punt van deze studie is dat de geschiktheid van MIEB in een groot aantal ziekenhuizen en op veel verschillende afdelingen in de klinische praktijk is gemeten.

De studie kent enkele beperkingen. Ten eerste betreft het een cross-sectioneel onderzoek waarbij pati&#xEB;nten op de onderzoeksdag werden ge&#xEF;ncludeerd, dus op een willekeurig moment tijdens de opname. De verwachting is dat richting ontslag het geschiktheidspercentage voor MIEB hoger ligt, omdat pati&#xEB;nten dan worden voorbereid op de thuissituatie waarin zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun medicatie.

Daarnaast is een niet-gevalideerde vragenlijst gebruikt voor de beoordeling van geschiktheid voor MIEB. Het betreft een gecombineerde vragenlijst uit drie deelnemende ziekenhuizen die ruime ervaring hebben met het toepassen van MIEB. De vragenlijst is daarmee wel een goede afspiegeling van de huidige klinische praktijk, maar de validiteit is niet formeel vastgesteld.

Ten slotte werd in dit onderzoek het geschiktheidspercentage voor MIEB bepaald in 35 ziekenhuizen, verdeeld over uiteenlopende afdelingen. Omdat de afdelingen cardiologie, orthopedie en geriatrie in elk ziekenhuis standaard werden ge&#xEF;ncludeerd, kan sprake zijn van oververtegenwoordiging van deze afdelingen, wat het totale percentage kan hebben be&#xEF;nvloed. Om dit te toetsen is een sensitiviteitsanalyse uitgevoerd, waarbij een gewogen gemiddelde van het geschiktheidspercentage werd berekend. Hierbij zijn de afdelingsspecifieke geschiktheidspercentages uit dit onderzoek vermenigvuldigd met landelijke opnamecijfers per type afdeling. Dit resulteerde in een geschiktheidspercentage van 56,7% [18]. Deze uitkomst ligt dicht bij het in dit onderzoek gevonden geschiktheidspercentage van 60,7%. Ons resultaat lijkt daarmee een goede afspiegeling te zijn van de situatie in de Nederlandse ziekenhuizen.

 </AbstractText>
            <AbstractText Label="CONCLUSIE">De geschiktheid voor MIEB voor volwassenen in Nederlandse ziekenhuizen is hoog en hoeft de implementatie van MIEB niet in de weg te staan. De resultaten uit deze studie lijken representatief voor de situatie in Nederlandse ziekenhuizen. Verder onderzoek is wenselijk om te kijken naar de geschiktheid van pati&#xEB;nten voor MIEB op het moment dat zij worden ontslagen uit het ziekenhuis.</AbstractText>
            </Abstract>
    </Article>
</ArticleSet>
